De stad als laatste refugium voor wilde bijen

Foto: Shutterstock

Terwijl het Nederlandse platteland zijn bijen verliest, worden steden stilletjes het laatste toevluchtsoord en dat vraagt om een fundamenteel andere manier van ontwerpen. Art/science interventiekunstenaar Hans Kalliwoda, initiatiefnemer van het Amsterdamse actieonderzoeksproject RefuBees, schreef dit artikel over die omslag.

Terwijl het platteland decennialang zijn biodiversiteitswaarde voor bestuivers verspeelde, verzamelde de stad stilletjes bewijs voor het tegenovergestelde. Nu de overheid dat langzaam erkent, rijst de vraag: wat betekent dit concreet voor de inrichting van de stedelijke leefomgeving?

Een ecologische omslag die te lang onopgemerkt bleef

Het verdwijnen van wilde bijen in Nederland is goed gedocumenteerd, al lijkt het er niet op dat dit documenteren tot veel urgentie heeft geleid. In de loop van de twintigste eeuw verdwenen circa 30 tot 35 soorten volledig, terwijl meer dan 100 soorten sterk in aantal afnamen. Inmiddels staat meer dan de helft van alle Nederlandse wilde bijensoorten op de rode lijst. De oorzaken zijn al even goed bekend: intensivering van de landbouw, pesticidengebruik, verlies van nestgelegenheid en de verschraling van het bloemenrijke landschap door overbemesting.

Wat minder aandacht kreeg, is wat zich parallel daaraan voltrok in de stad. Terwijl het platteland ecologisch verarmde, veranderde in steden het beheer van de openbare ruimte. Chemische onkruidbestrijding werd geleidelijk afgebouwd, ecologisch maaibeheer deed zijn intrede en spontane vegetatie kreeg meer ruimte, niet als ecologische ambitie, maar als pragmatische keuze.

Het gevolg was opmerkelijk. Waar wilde bijen in de stedelijkeomgeving historisch nauwelijks voorkwamen, begon zich een ander beeld af te tekenen. Al vanaf de jaren zeventig en tachtig documenteerden veldonderzoekers als Theo Peeters de bijenfauna in Nederland, ook in stedelijke contexten. In Amsterdam werden die waarnemingen over meerdere decennia voortgezet.

Ecoloog Arie Koster maakte de ontwikkeling concreet inzichtelijk door historische data en eigen veldonderzoek te combineren. Rond 2000 werden circa 45 soorten wilde bijen in Amsterdam vastgesteld. Vijftien jaar later waren dat er meer dan 65. Inmiddels ligt het totaal, alle waarnemingen over langere periode meegenomen,
ruim boven de 100 soorten. Terwijl de landelijke trend onder druk blijft staan, verkeert Amsterdam aantoonbaar in een herstelfase. Dat is geen toevalstreffer. Het is een patroon dat zich in meerdere Europese steden aftekent.

De ernst van wat buiten de stadsgrenzen gebeurt

Om te begrijpen waarom dat stedelijke herstel zo opvallend is, moet je weten hoe ernstig de situatie daarbuiten is. Het was de Nederlandse onderzoeker Caspar Hallmann die in 2018 internationale aandacht vestigde op iets wat veldonderzoekers al jaren vermoedden: in beschermde Duitse natuurgebieden was de biomassa van vliegende insecten sinds de jaren negentig met meer dan 75 procent afgenomen. Niet in intensief beheerde landbouwgebieden maar in natuurreservaten.

Die bevindingen zijn voor Nederland niet minder relevant. Ze wijzen niet alleen op habitatverlies, maar op bredere systeemdruk: residuen van pesticiden en nutriënten in grond- en oppervlaktewater beïnvloeden de leefomstandigheden van insecten direct en indirect, ook ver buiten het perceel waar ze zijn toegepast.

Tegen die achtergrond krijgt de stad een andere betekenis. Geen pesticiden in het straatbeeld. Geen kunstmest op het plantsoen. Een mozaïek van kleinschalige groene plekken, op voortuinen en balkons, die weliswaar versnipperd zijn, maar in toenemende mate ecologisch worden beheerd. Voor een wilde bij die toch al niet verder dan 300 meter van haar nest vliegt, kan een goed ingerichte stadswijk meer bieden dan een monocultuur op het platteland.

Beleid dat de stad te laat ontdekte

De formele erkenning van steden als potentieel refugium voor wilde bijen liet lang op zich wachten. Monitoring en beleid richtten zich traditioneel op natuur- en agrarische gebieden, de stad was geen categorie. Begin 2026 startte een landelijke monitoringspilot, uitgevoerd door EIS Kenniscentrum Insecten in opdracht van het ministerie van LVVN. Op 150 locaties verspreid over Nederland, waaronder stedelijke gebieden, worden trends gemeten tot en met 2030, mede als uitvloeisel van de EU Natuurherstelverordening van juni 2024, die herstel van biodiversiteit ook buiten Natura 2000-gebieden verplicht stelt. Dat stedelijk gebied in die monitoring is opgenomen, is een erkenning dat de stad ecologisch relevant is.

Maar monitoring is iets anders dan actie. Er bestaat nog steeds geen financieringsinstrument voor stedelijk actieonderzoek dat monitoring combineert met fysieke interventie op soortsniveau en citizen science. De recente publicatie van EIS-projectleider Theo Zeegers (Bestuivers in agrarische, stedelijke en natuurlijke omgeving, april 2026) bevestigt dat stedelijk gebied voor wilde bijen een specifieke en groeiende groep unieke, warmteminnende soorten herbergt, en dat de trendverschillen tussen stedelijk en natuur voor wilde bijen klein zijn. Maar die wetenschappelijke erkenning heeft nog geen beleidsmatig equivalent.

Sommige gemeenten liepen al vooruit. Vanaf januari 2026 koopt Amsterdam uitsluitend gifvrije planten in, waarmee jaarlijks 70.000 vierkante meter aan gifvrij groen wordt geplant en gezaaid. Andere gemeenten zoals Haarlem, Utrecht en Arnhem werken met soortgelijk beleid, en Amsterdam wil met hen samenwerken om
dit landelijk te verankeren. Concrete stappen, maar ze staan nog grotendeels los vaneen systematische ecologische strategie op soortsniveau.

Op Europees niveau commiteerden 124 steden zich inmiddels aan de doelstellingen van het European Green City Accord, dat natuur en biodiversiteit als een van zijn vijf kernthema's benoemt. RefuBees operationaliseert die biodiversiteitsdoelstellingen op soortsniveau, precies waar het GCA-kader nog grotendeels abstract blijft.

Het spreidingsvraagstuk: de meest onderschatte ruimtelijke opgave

Hier raken ecologie en ruimtelijk ontwerp elkaar op een manier die in de praktijk nog weinig weerklank vindt. De meeste wilde bijensoorten hebben een actieradius van slechts 100 tot 300 meter. Dat gegeven heeft vergaande ruimtelijke consequenties. Niet een enkel groot park of een aaneengesloten groenstructuur is de oplossing, maar een bewust spreidingsbeleid: het systematisch verdelen van soortspecifieke voedsel- en
nestplekken over de hele stad, zodanig dat elke soort binnen haar eigen actieradius altijd een geschikte locatie kan bereiken.

In Amsterdam is dat principe uitgewerkt door de stad in te delen in zones op basis van Kosters veldonderzoek: per zone wordt een Bijentotem geplaatst die is afgestemd op de wilde bijensoorten die daar van nature voorkomen of kunnen voorkomen. Niet generiek, maar soortspecifiek. Niet als eenmalige interventie, maar
als langjarig beheerd netwerk van 104 locaties verspreid over de hele stad. (www.refubees.org/adopt)

Veel huidige stedelijke biodiversiteitsaanpakken denken in termen van generieke vergroening: meer planten, minder steen, grotere groengebieden. Dat is noodzakelijk, maar onvoldoende. Wilde bijen reageren niet op 'meer groen' als abstracte beleidsintentie. Ze reageren op de precieze combinatie van plantensoorten,
nestgelegenheid, wateraanbod en de onderlinge afstand daartussen, per soort anders, per seizoen anders. Dit maakt stedelijke biodiversiteit tot een ontwerpopgave op soortsniveau. En dat is een fundamenteel andere opgave dan we gewend zijn.

Van inzicht naar infrastructuur

Het UIA World Congress of Architects 2026 in Barcelona plaatst biodiversiteit nadrukkelijk op de agenda van de gebouwde omgeving. Hoopgevend, maar het risico blijft dat biodiversiteit ook in die context wordt behandeld als toevoeging aan het ontwerp, in plaats van als sturend principe.

Wat ontbreekt in veel aanpakken is de combinatie van drie elementen: langjarige soortspecifieke data, fysieke interventie in de openbare ruimte, en actieve betrokkenheid van bewoners die verder gaat dan symbolische participatie. Monitoring zonder actie verandert niets. Actie zonder monitoring weet niet wat werkt. En zonder maatschappelijke inbedding mist elke aanpak de continuïteit die ecologisch herstel vereist.

Wij communiceren actief met internationale peers, van Europese steden tot onderzoeksinstellingen, en zien overal dezelfde zoektocht: hoe implementeer je effectief beleid voor alle lokale wilde bijensoorten in één stad? Het antwoord vereist wat grote instituten zelden hebben: een lange adem, een soortspecifieke en allinclusieve
aanpak, en een methodiek die publieke actie en wetenschappelijke monitoring structureel combineert.

In Amsterdam wordt sinds 2014 gewerkt aan precies die combinatie, voortkomend uit het cross-disciplinaire symposium De stad als natuurreservaat voor bestuivers in het kader van het PhDArts-traject van Hans Kalliwoda aan de Universiteit Leiden. Via Bijentotems, fysieke micro-infrastructuren in de openbare ruimte, worden voedsel, nestgelegenheid, water en monitoring gecombineerd, gekoppeld aan citizen science op locatieniveau. Biodiversiteit verschuift daarmee van abstract beleid naar direct ervaarbare praktijk.

Dat deze benadering in 2023 tijdens het Koploper-symposium in De Balie als voorbeeld van een voorhoede-aanpak werd gepositioneerd, markeert een moment waarop kunst, onderzoek en beleid elkaar expliciet begonnen te vinden. Dat de provincie Zuid-Holland het onderliggende spreidingsprincipe in 2024 op bescheiden schaal overnam, laat zien dat de aanpak schaalbaar is, mits ecologisch gefundeerd en
ruimtelijk doordacht.

Wat dit vraagt van ontwerpers en beleid

De stad is niet het rijkste ecosysteem voor wilde bijen, natuurgebieden blijven het zwaartepunt van de Nederlandse bestuiversdiversiteit. Maar de stad is de enige omgeving waar herstelacties op soortsniveau direct, systematisch en zonder agrarische grondeigendomsvraagstukken kunnen worden geïmplementeerd. En Amsterdam bewijst dat dit werkt.

De vraag is niet meer óf steden een rol spelen in het herstel van wilde bijen. De vraag is welke stad als eerste de consequenties trekt op de schaal die nodig is. Amsterdam heeft de data, het beleid en de infrastructuur. Het enige wat nog ontbreekt is de formele erkenning dat actieonderzoek zoals RefuBees niet aan de zijlijn van de
nationale agenda hoort, maar er midden in.

Voor beleidsmakers betekent dit dat biodiversiteit een structurerend principe wordt binnen ruimtelijke ordening, groenbeheer en inkoop, niet als afzonderlijke agenda, maar als integraal onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Voor ontwerpers betekent het dat ecologische kennis op soortsniveau onderdeel wordt van het
ontwerpproces, net zoals klimaatadaptatie dat inmiddels is.

De data zijn er. De methodieken bestaan. De eerste toepassingen zijn schaalbaar gebleken. De enige vraag die resteert: zetten we nu de stap van inzicht naar systematische implementatie, of wachten we op de volgende monitoringsronde die bevestigt wat we al weten?

"But in the end we don't have the time to wait for all research results, and so we should
act now.
" Caspar Hallmann, 2019


Dit artikel is gebaseerd op onderzoek van ecoloog Arie Koster naar wilde bijen in Amsterdam (1998–2015), de publicatie Bestuivers in agrarische, stedelijke en natuurlijke omgeving (Zeegers & Takken, EIS2026-13, april 2026), en het actieonderzoeksproject RefuBees / BeeCare Amsterdam (PhDArts, Universiteit Leiden). Meer informatie: www.refubees.org

Meer artikelen met dit thema

descriptionArtikel

Publicatie Groen op de Balans pleit voor nieuwe collectiviteit rond stedelijk groen

Hoewel het belang van groene openbare ruimte wetenschappelijk ruimschoots is aangetoond, blijft groen in de…

Lees verder
descriptionArtikel

Noord-Brabant loopt voorop met ontwikkeling van voedselbossen

De provincie Noord-Brabant heeft het grootste areaal voedselbossen van Nederland. In totaal gaat het om circa…

Lees verder
flash_onNieuws

Amsterdam ontwikkelt stratenkaart voor aanpak hittestress

Met de reeds geïntroduceerde Koele Groene Stratenkaart brengt Amsterdam verschillende databronnen over hitte,…

Lees verder
flash_onNieuws

Nieuwe Utrechtse openbare ruimtegids versterkt integrale gezonde stad

Utrecht publiceerde onlangs een vernieuwd Handboek Openbare Ruimte waarin niet alleen inrichting, maar ook…

Lees verder
descriptionArtikel

Manifest Gemeenten Natuurinclusief

Achttien gemeenten hebben het Manifest Gemeenten Natuurinclusief aangeboden aan de Tweede Kamer. Met deze tekst…

Lees verder
descriptionArtikel

Waarom natuurinclusief ontwikkelen een fundamentele perspectiefwisseling vraagt

Wie vandaag de dag aan gebiedsontwikkeling werkt, ziet overal hetzelfde spanningsveld: de druk om woningen te…

Lees verder
descriptionArtikel

Vleermuizen hebben baat bij warme, maar niet te warme locaties

Oost en west voor vleermuizen het best! Deze beestjes hebben baat bij warme, maar niet te warme locaties,…

Lees verder
descriptionArtikel

Een gezonde leefomgeving begint bij de bodem

De samenstelling en kwaliteit van de bodem zijn bepalend voor een gezonde leefomgeving. In een nieuwbouwproject…

Lees verder