Steeds meer gemeenten en organisaties spreken over een 'gezonde leefomgeving'. maar dreigt de term oderhand geen leeg containerbegrip te worden? Vincent Luyendijk, adviseur en auteur van De Fijne Stad, waarschuwt dat goede bedoelingen alleen niet genoeg zijn. Zolang we sturen op de verkeerde indicatoren (doorstroming, opbrengst, technische haalbaarheid) blijft wat inwoners werkelijk belangrijk vinden buiten beeld. In dit eerste deel van een drieluik pleit hij voor een andere meetlat.
'De oude meetlat maakt de verkeerde keuzes logisch'
De term gezonde leefomgeving is bezig aan een opmars in media, coalitieakkoorden en gebiedsplannen. “Het krijgt écht heel veel aandacht, en dat is goed. Maar zes jaar geleden gebruikten we die woorden nog niet samen. Kennelijk hebben we die term nu nodig als antwoord op iets dat niet goed gaat.”
Aan het woord is Vincent Luyendijk, adviseur van steden en organisaties over duurzame gezonde leefomgevingen en auteur van De Fijne Stad. Als gastspreker is hij zelf vaak verantwoordelijk voor het debat over bewegen, ontmoeten, spelen, sporten, groen. Al waarschuwt hij ook: “Net als bij duurzaamheid dreigt het begrip gezonde leefomgeving een hol modewoord te worden als het niet leidt tot andere keuzes.”
Hoor je vogels fluiten?
Nu worden keuzes voor de leefomgeving nog te vaak gemaakt met een oude meetlat, die vooral doorstroming, opbrengst, efficiëntie of technische haalbaarheid meet. Daardoor blijven volgens Luyendijk de waarden die we écht belangrijk vinden buiten beeld. “Dat is het verschil tussen een geplande en een geleefde stad. We meten verkeerslichten en vuilnisbakken, want daar zitten sensoren op. Maar als je bewoners vraagt wat ze belangrijk vinden, noemen ze: kunnen kinderen naar school fietsen, koken we voor elkaar, hoor je vogels fluiten, is er een ontmoetingsbankje, groeien er planten? Er zit een groot gat tussen wat we meten en wat bijdraagt aan een fijne stad.”
Hij noemt een bestaand voorbeeld uit een van de gemeenten die hij adviseert. “Bij een drukke oversteek van een schoolroute maakten ouders zich zorgen over de veiligheid, en maakten melding van de korte oversteektijd. De gemeente paste de instelling van de verkeerslichten aan en beschouwde het probleem als opgelost. Maar die ouders dachten: er gebeurt niks, want de oversteek voelt nog steeds onveilig. Dan heb je niet begrepen waar het om gaat. Is iemand van de gemeente op die kruising geweest om te voelen: dit is eigenlijk best een akelig punt?”
‘Wat vindt u ervan?’-participatie
Voor Luyendijk begint verandering daarom niet bij meer indicatoren, maar bij oprechte interesse. “We zijn niet goed genoeg in ophalen wat echt nodig is. Participatie is nu vaak: ‘hier is een tekening voor de nieuwe speeltuin, wat vindt u ervan?’ Maar dat is iets anders dan een wijk echt leren begrijpen.”
Participatie is nu vaak: ‘hier is een tekening voor de nieuwe speeltuin, wat vindt u ervan?’ Maar dat is iets anders dan een wijk echt leren begrijpen.
Om na het goede gesprek ook goed te meten en plannen, pleit hij voor ‘maatschappelijke waarde per vierkante meter’. “Iedere plek zou wel de vraag moeten oproepen: kan deze ruimte meer waarde krijgen? Voor welzijn, inclusie, duurzaamheid en economie samen. Dan verandert de aard van het gesprek. Dan starten we gebiedsontwikkeling niet alleen bij verkeer, maar dan vragen we: voor wie maken we deze plek eigenlijk? Niet: hier komen gezinnen wonen. Wel: kan een oudere zelfstandig met een rollator naar de winkel? Voelen meisjes zich hier na hun twaalfde nog comfortabel buiten? Kunnen kinderen veilig spelen?”
Afdeling gezond en gelukkig leven
Niet alleen gemeente en ontwikkelaar zijn volgens de auteur aan zet, maar ook andere partijen die baat hebben bij een gezonde omgeving: GGD, scholen, sport- en beweegorganisaties, natuurorganisaties, woningcorporaties, zorgverzekeraars en bewoners zelf. “Er zijn veel partijen die baat hebben bij een gebied. De vraag is hoe je hen mede-eigenaar maakt van het slagen ervan.” Hij noemt de gebiedsontwikkeling in De Suikerzijde in Groningen inspirerend. Daar wordt door verschillende ‘baathouders’ geïnvesteerd in voorzieningen voor een gezonde leefomgeving in het gebied.
Samenwerken aan een gezondere leefomgeving vraagt ook iets van professionals. “Zij moeten hun eigen rol in het systeem beter begrijpen”, zegt Luyendijk. “Je kunt je niet houden aan het stickertje dat je opgeplakt hebt gekregen. Je bent niet van klimaat, mobiliteit of gezondheid. We zijn allemaal van de afdeling gezond en gelukkig leven. Wees nieuwsgierig naar elkaars belangen.”
Je bent niet van klimaat, mobiliteit of gezondheid. We zijn allemaal van de afdeling gezond en gelukkig leven. Wees nieuwsgierig naar elkaars belangen.
Gemeentelijke voelsprieten
Nog een advies van Luyendijk: vertrouw op de mensen die in de leefomgeving leven. “Er zijn zoveel voorbeelden van bewoners met goede ideeën die feilloos weten wat er met een plek moet gebeuren, als ze niet worden tegengehouden door het systeem.” Hij doelt echter ook op beheerders van de gemeente. “Zij hebben een superbelangrijke rol. Zij kennen de bestaande stad, en 90% ís bestaande stad. Hun opdracht is nu vaak alles schoon, heel en veilig houden. Maar het wordt interessant als hun opdracht ‘buitengeluk’ is: als gemeentelijke voelsprieten kunnen zij bijdragen aan gezondheid en ontmoeting.”
De capaciteit om te kunnen luisteren naar de straat, én het verschil tussen een geplande en geleefde stad, worden kraakhelder als het gesprek gaat over zwemwater. “Op hete dagen zie je dat mensen naar de dichtstbijzijnde rivier gaan en erin springen. Dan kun je als gemeente twee dingen doen. Of je denkt ‘hé, dat mag niet volgens de plaatselijke verordening, hoe gaan we dat voorkomen?’, of ‘hé, daar is een behoefte, wat waardevol dat die nu zichtbaar wordt, hoe kunnen we die faciliteren?’.
“Stel steeds de vraag: draagt deze plek bij aan het leven dat mensen hier willen leiden? De geleefde en de geplande stad komen zo steeds dichter bij elkaar.”
- Dit artikel is het eerste deel van een drieluik van De Beweegalliantie over een gezonde leefomgeving. Luyendijk pleit voor een andere meetlat; maar hoe meet je dan wél wat inwoners willen? In deel twee, "Draagvlak is geen ja/nee-vraag", onderzoekt Martijn de Vries hoe je draagvlak zichtbaar maakt zonder het terug te brengen tot één simpele stem. En in deel drie, "Begin bij de grootst mogelijke kleine stap", vertelt Jonne Kuyt van Lab of Thought over de kracht van tijdelijke experimenten en de moed om toe te geven dat je het antwoord nog niet weet.
Bron: Beweegalliantie
Bij het thema van dit artikel betrokken organisaties
Meer artikelen met dit thema
Nieuwe leeromgeving Beweegvriendelijke Werklandschappen
We zijn kampioen zitten in Nederland. Gemiddeld maar liefst 9,1 uur per dag zitten we op ons gat en iedereen…
Dien nu jouw sessievoorstel in voor MOVE24 2026
Heb jij een inspirerend idee voor de toekomst van een beweegvriendelijk Nederland? Voor MOVE24 2026 kun je nu…
Gezondheidsverschillen in Nederland vooral op wijkniveau
Gezondheid is niet alleen een uitkomst van zorg, maar hangt nauw samen met de inrichting van de fysieke…
Sport en bewegen krijgen vaste plek in de ruimtelijke ordening
Sport, bewegen en spelen krijgen een formele plek in de ruimtelijke ordening. Daarmee verschuift niet alleen de…
Groene leefomgeving hangt samen met langere levensduur
Mensen die wonen in een omgeving met meer groen, leven gemiddeld langer. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM…
Zuid-Holland zet ‘groene parels’ in stedelijke omgeving centraal
De provincie Zuid-Holland presenteert een reeks zogeheten ‘groene parels’ in stedelijke gebieden. Deze locaties…
CROW bundelt aanbevelingen voor breedte van voetpaden in nieuwe leidraad
CROW heeft in de Leidraad breedte van voetpaden de bestaande aanbevelingen voor voetpadbreedtes samengebracht…
Nieuwe Utrechtse openbare ruimtegids versterkt integrale gezonde stad
Utrecht publiceerde onlangs een vernieuwd Handboek Openbare Ruimte waarin niet alleen inrichting, maar ook…